Voorwoord ACOM Journaal november 2022

Last Updated on 4 november 2022, 14:36 by Paul Klaverstijn

Op het moment dat ik dit voorwoord schrijf komt de  “Kamerbrief over dienjaar Defensie” binnen over onder meer het nieuwe wonder van Defensie, u raadt het al: het dienjaar.

Mensen wordt nu vast gevraagd om in te schrijven voor een dienjaar vanaf september 2023. Dan kan men, door een tussenjaar te nemen na de middelbare school of vervolgopleiding of als mensen met werkervaring (zij-instromers) die een sabbatical willen opnemen, een jaar komen werken voor Defensie. Deze mensen krijgen dan een korte opleiding en worden vervolgens als militair ingezet op bestaande functies.

Deze dienjaar-militairen draaien dan als volwaardige collega’s mee met een passend salaris, zo geeft Defensie aan. En dat alles baart mij nogal wat zorgen. Normaliter dient eenieder op functie te voldoen aan de eisen die daaraan verbonden zijn. Eisen qua kennis, opleiding en eventueel ervaring. Beroepsmilitairen dienen daarvoor vele opleidingen te doorlopen en aan vele eisen te voldoen alvorens ze op functie geplaatst worden.

Als men deze plannen leest zou een beroepsmilitair na een volledige opleiding op hetzelfde niveau starten als een dienjaar-militair met een zeer korte opleiding. En aangezien eenieder na de initiële opleiding hetzelfde salaris gaat verdienen (mits dezelfde rang) zou de dienjaar-militair hetzelfde salaris krijgen. Ik ga dat in ieder geval niet uitleggen. Ook ben ik benieuwd waar men de capaciteit vandaan gaat halen om deze mensen op de juiste wijze te trainen en te begeleiden. Ook instructiecapaciteit is niet echt iets waar we ruim in zitten.

Overigens ben ik het met iedereen eens die zegt dat er iets moet veranderen bij Defensie. Het aantal vacatures, met name onder militairen, is veel te groot en neemt alleen maar toe. Niet alleen omdat er meer mensen vertrekken dan erbij komen, maar ook omdat de krijgsmacht wil groeien. Maar wat daarvoor de ultieme oplossing is weet niemand. Defensie roept altijd veel over het fameuze HR-systeem, maar echt iets concreets hebben we er (nog) niet van gezien. We horen en lezen er veel over, maar nooit in formele stukken. Volgens mij is het echter niet het systeem dat het verschil moet maken maar het totaalpakket aan primaire, secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden en hoe men daar mee om gaat. Mensen willen weten waar ze aan toe zijn, wat hun rechten en plichten zijn en hoe het staat met de balans tussen werk en privé. Iets met perspectief en het nakomen van afspraken.

Wat op korte (en wellicht iets langere tijd) echter de agenda van eenieder bepaalt is hetgeen gebeurt in Oekraïne. Voor Defensie in het algemeen en veel militairen in het bijzonder komt dat wellicht nog dichterbij dan voor de rest van Nederland. Ik heb een grote bewondering en groot respect voor de motivatie en wilskracht van de Oekraïners, laat ik daarmee beginnen. Maar ik heb ook veel respect, bewondering en waardering voor alle medewerkers van Defensie die op allerhande manieren, intensief of minder intensief, een bijdrage leveren om de Oekraïners te steunen in hun strijd voor vrijheid en het vaderland.

Werkzaamheden die verricht worden onder soms moeilijke en zware omstandigheden. Soms vanuit Nederland, maar ook vaak in het buitenland en zelfs in Oekraïne waar op dit moment, wederom, forensische experts van de KMar onderzoek doen in relatie tot oorlogsmisdaden. Die misdaden mogen wat mij betreft nooit, maar dan ook nooit, onbestraft blijven. Ook de collegae die druk bezig zijn om, in internationaal verband, Oekraïners te trainen hebben geen makkelijke taak, maar wel een gewaardeerde.

Op allerlei manieren draagt Defensie derhalve een steentje bij, soms met materieel en materiaal (hoewel we veel daarvan eigenlijk zelf nodig hebben) en soms door de steun en inbreng van militairen. Maar één ding is duidelijk, het is allemaal nodig, de oorlog van de Oekraïners is ook onze oorlog.

Blijf veilig en blijf gezond.