Vorige maand begon ik mijn voorwoord met de zin “Op het moment dat ik dit schrijf wordt Nederland opnieuw aangevallen door een (her)gegroepeerde onzichtbare vijand: COVID-19.”


Maar hetgeen ook vandaag door mijn hoofd speelt, net als bij ongetwijfeld velen onder u is toch nog steeds COVID-19.


Ook binnen Defensie is de invloed van COVID-19 dagelijks merkbaar. Dat kan zijn doordat men anders moet/kan werken maar ook doordat dit juist niet kan. Defensie is immers een kritische sector binnen Nederland en ook, of misschien wel juist, in dit soort tijden is dat merkbaar. Merkbaar voor mensen binnen Defensie. Voor de rest van Nederland is Defensie nog steeds als water uit de kraan: Als je er behoefte aan hebt is het er, en het mag eigenlijk niets kosten.


Ook zijn diverse collegae direct ingezet om steun te geven in het openbaar belang. Terecht! Dat is immers één van de (hoofd)taken van de krijgsmacht. En daar komt een nieuwe inzet bij. Defensie heeft positief gereageerd op een bijstandsverzoek waardoor circa duizend militairen (initieel) een zevental ‘XL-snelteststraten’ gaan opstarten en bemensen.


Gisteren heb ik ook kennis genomen van het (min of meer vrijblijvende) advies van de Advies- en Arbitragecommissie (AAC) inzake het geschil met betrekking tot het loongebouw. Deels wordt in het advies duidelijk gemaakt dat er zeker niet op alle punten open en reëel overleg is geweest en dat dit voor het grootste deel aan Defensie heeft gelegen. Maar er wordt ook onomwonden aangegeven dat, ondanks dat wij langdurig en veelvuldig hebben opgeroepen om de onderhandelingen te starten, de overige centrales en Defensie daarmee veel te lang gewacht hebben. En tja, zoals de AAC aangeeft hebben alleen wij deze verantwoordelijkheid serieus genomen. Maar helaas één partij aan tafel kan in deze het verschil niet maken.


Ook wordt (wederom) aangegeven dat partijen de aanbevelingen ter harte dienen te nemen van de opeenvolgende commissies die indertijd zijn ingesteld om het onderhandelingsklimaat te verbeteren. Daar zijn wij het uiteraard mee eens. Waar wij minder enthousiast over zijn is het advies om als sociale partners samen een onafhankelijke procesregisseur te benoemen in verband met het voeren van het overleg. Verder zou onder leiding van deze procesregisseur de discussie over uitgangspunten waaraan het nieuwe bezoldigingssysteem moet voldoen, zo spoedig mogelijk moeten aanvangen. Ook dat is immers al een aantal malen geprobeerd onder verschillende “onafhankelijke voorzitters” en ook dat heeft niet geleid tot het gewenste resultaat.


Worden wij hier nu vrolijk of optimistisch van? Neen! Door een onafhankelijk voorzitter of een procesregisseur gaat het allemaal niet sneller of beter. Het heeft vooral te maken met financiële en beleidsmatige ruimte en vertrouwen. En, last but not least, met de wil om er – in het belang van het Defensiepersoneel – samen uit te komen op het juiste moment. Dat moeten de sociale partners gezamenlijk doen aan de onderhandelingstafel. Dus op tijd, anders wordt het weer too little, too late!


Dat was dan ook de voornaamste reden voor onze inzetbrief arbeidsvoorwaarden. Een verzoek aan Defensie om de urgentie te delen en te beginnen met de onderhandelingen voor het arbeidsvoorwaardenakkoord vanaf 1 januari 2021. Eigenlijk is dat al weer erg laat maar wij zouden toch wel heel graag een onderhandelingsresultaat bekend willen maken voordat het huidige akkoord “afloopt”.


Ook dat is respect en waardering, en daar heeft u naar mijn mening het volste recht op.