Mijn vorige voorwoord begon met “Vlissingen en mariniers”. Op het moment dat ik dit voorwoord zit te schrijven is premier Mark Rutte in gesprek met Zeeuwen in Vlissingen om daar een en ander nog eens uit te leggen.

Uitspraken als “muitende mariniers” en “grote imagoschade voor Zeeland” zijn geen uitzondering. Op zich allemaal mooie woorden van Mark Rutte (en VVD-Kamerlid André Bosman) maar echt helpen doet het niet. Ook voor Zeeland zal er een échte oplossing moeten komen, en dat zie ik op heel korte termijn niet gebeuren.


Dat is echter niet aan mij of ons, – en zo heeft iedereen zo zijn of haar eigen problemen die de aandacht vragen. Hoewel ik alle begrip heb voor de gevoelens van de Zeeuwen (in het bijzonder de Vlissingers) maak ik mij meer druk om zaken die Defensie aangaan. En in dit geval is dat met name de situatie van de mariniers en hun gezinnen.

Maar ik heb zeker ook nog een paar andere zaken die mij in de laatste maand veelvuldig bezighielden en ook in de komende tijd wel bezig zullen houden.

De eerste betreft de opleidingen die militairen krijgen of zouden moeten krijgen. De werving van militairen loopt voorspoedig, maar daarna moeten al deze mensen opgeleid en getraind worden. Dat valt niet mee en het gaat dan ook regelmatig niet zoals bedoeld was.

Dat is problematisch aan het worden omdat het regelmatig voorkomt dat mensen weken, maanden en in een enkel geval zelfs langer dan een jaar moeten wachten op noodzakelijke (en vaak zelfs verplichte) opleidingen. Als mensen die opleidingen niet krijgen kunnen ze het werk waarvoor ze bij Defensie zijn gaan werken niet uitvoeren en dat werkt uiteraard demotiverend.

Zelfs zo demotiverend dat mensen daardoor weer kiezen om Defensie voortijdig te verlaten. Zo groeien we nooit, – sterker nog we krimpen nog steeds. En naast dat krimpen van de militaire populatie (kwantitatief) is er ook nog een aderlating doordat mensen die de organisatie verlaten dat doen terwijl ze opgeleid en getraind zijn en jarenlange ervaring hebben. Als we dan jonge mensen laten instromen ontbreken initieel de opleidingen en trainingen in het algemeen en de ervaring in het bijzonder. Als we daarnaast mensen niet (of te traag) opleiden is die aderlating nog groter en dat helpt zeker niet. Integendeel: Het werkt voor velen (weer) demotiverend.

Het probleem is echter dat een en ander ook niet eenvoudig is op te lossen. We hebben immers niet zomaar ervaren mensen over die in staat zijn om hun eigenlijke werk te laten vallen om anderen op te gaan leiden. Wat mij betreft zullen we (de bonden!) daar dus ook samen met Defensie op korte termijn een oplossing voor moeten zoeken. Daarbij sluit ik op voorhand niets bij uit, – als het maar bijdraagt aan een verbeterd perspectief voor Defensie in het algemeen en de militairen in het bijzonder.

Het punt dat mij de laatste dagen (of langer) vooral intrigeert is het antwoord van het Openbaar Ministerie (OM) op de aangifte namens duizenden militairen en veteranen i.v.m. de uitspraken van de Kamerleden Öztürk en Azarkan die militairen (al dan niet indirect) betitelden als ‘moordenaars’.

Dat het OM van mening is dat ze aangaande de uitspraken van de heer Öztürk in de Tweede Kamer niet bevoegd is lag in de lijn der verwachting. Maar dat het OM vindt dat het herhalen van die buitengewoon grievende uitspraken door de heer Azarkan in een live tv-programma ook door de beugel kan, is op zijn minst verbazingwekkend te noemen.


Maar echt schokkend is voor mij de opvatting van het OM dat er, juridisch gezien, bij de operatie in Hawija (en volgens het OM “zoals zo vaak bij militaire operaties”) sprake is van “doden met voorbedachten rade”. Na het mes in de rug door de uitspraken van de DENK-Kamerleden heeft het OM voor mijn gevoel het mes nog enkele malen rondgedraaid. En dat doet pijn, veel pijn! Een ding is dan ook helder, wij zijn er nog niet klaar mee. Wordt dus vervolgd!