Het zijn roerige tijden voor heel Nederland en veel zaken veranderen. Pre-corona hadden we 17 miljoen bondscoaches en in het corona-tijdperk blijken die bondscoaches veelal bijgeschoold te zijn tot virologen, immunologen en militair specialisten. Ik heb helaas geen tijd gehad om mij bij te laten scholen dus ik blijf graag bij mijn leest, hoewel ik ook al geen schoenmaker ben. Maar het valt wel op, – daar kan geen misverstand over bestaan.

Als ik naar de vele “militair specialisten” luister of stukken van hen lees is het opvallend dat velen aangeven dat Defensie (en dan doelt men doorgaans op het militaire deel ervan) toch vooral te weinig doet. Of men is van mening dat er meer zou kunnen c.q. moeten worden gedaan.
Laat ik beginnen met wat er al gedaan wordt. Defensie draagt op vele vlakken bij. Medisch personeel, logistiek personeel maar ook de marechaussee, – en dan heb ik zeker nog niet alle groepen aan specialisten genoemd. En het belangrijkste is dan ook dat we dat vooral niet moeten vergeten. Deze collega’s (en iedereen die ze daarbij ondersteunt) verdienen ons aller respect en waardering. Net als alle anderen in de cruciale beroepen die zich iedere dag weer inzetten om deze onzichtbare vijand (COVID-19) te onderdrukken en uiteindelijk te verslaan.

Als we nu kijken wat we meer zouden kunnen doen ben ik het met velen eens. Defensie zou echt meer kunnen doen. Maar het is niet aan Defensie om dat te bepalen. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ook moet men zich afvragen of wat we zouden kúnnen ook is wat we zouden móeten doen.

Zo zou de krijgsmacht best, naast de collega’s van de marechaussee die de politie al ondersteunen, militairen kunnen inzetten bij het handhaven van bijvoorbeeld de avondklok. Maar enerzijds doen de politie, marechaussee en overige handhavers dat al naar behoren en anderzijds zou in deze “groen op straat” ook bepaalde emoties kunnen versterken en daar is niemand bij gebaat.

Ik heb daar recentelijk vele “militair specialisten” over gehoord en ook met velen over dat thema gesproken. Ik wil in die zin twee zaken noemen. Onze minister heeft al meerdere malen aangegeven dat Defensie al veel doet maar ook méér zou kunnen doen. Ook is door haar meermaals gemeld dat daarvoor grote aantallen militairen beschikbaar of oproepbaar zijn.
Maar daar wil ik wel aan toevoegen dat velen Defensie zien als water uit de kraan: het moet er zijn als men erom vraagt en mag bij voorkeur niets kosten. Op dit moment is Defensie dan wel een soort water in hoogzomer. Het is er nog wel maar als we niet voorzichtig zijn met het gebruik (de inzet) zou het wel eens kunnen zijn dat er in de nabije toekomst onvoldoende over is als het weer nodig is. Elk gebruik (of inzet) dient dan ook goed te worden afgewogen.

De Commandant Landstrijdkrachten (C-LAS) heeft in een video uit de doeken gedaan wat hij vindt van de inzet van de krijgsmacht in het algemeen en de Landmacht in het bijzonder. Ik kan mij helemaal vinden in zijn betoog. Hij maakte onder andere duidelijk dat Defensie wel het gevraagde vakmanschap en de kwaliteit in huis heeft, – dat weten we zelf maar ook de mensen die om ondersteuning vragen weten dat. Ook maakte hij een verwijzing naar uitingen dat Defensie bijvoorbeeld de politie niet zou kunnen ondersteunen bij het handhaven van de avondklok. Daar zouden militairen niet voor zijn opgeleid. Daar neemt hij terecht afstand van en daar sluit ik mij volmondig bij aan.

Militairen kunnen zeker vechten maar zijn ook uitstekend opgeleid, en in staat, om de-escalerend op te treden. Met name de opmerking van de voorzitter van een van de politiebonden dat militairen daarvoor niet opgeleid zouden zijn, vind ik dan ook “niet echt handig”.

Maar één element uit het betoog van C-LAS kan wat mij betreft niet voldoende worden benadrukt: Defensie is een vraag-gestuurde organisatie. Als een vraag voor bijstand, na de nodige stappen in het voortraject, binnenkomt wordt bezien of Defensie de gewenste bijstand daadwerkelijk kan leveren. Als dat het geval is dan is het aan de Commandant der Strijdkrachten (CDS) om daar een GO voor te geven. En als dat zo is, dan zorgen we dat we er zijn. Goed opgeleid en klaar om het verschil te maken. En daarvoor verdient en heeft u mijn dank, respect en waardering!