Ben Groen, ‘onze man’ in het Verantwoordingsorgaan (VO) van pensioenfonds ABP, bekijkt en bespreekt in ACOM Journaal telkens een aantal zaken die van belang zijn voor uw pensioen.

In deze tijden waarin de wereld zich bezighoudt met het bestrijden van het corona-virus en dat terecht een grote prioriteit krijgt, lijkt de strijd om de pensioenen wel heel erg een niet urgent probleem. Toch zijn er weer ontwikkelingen geweest die leiden tot grote consequenties. Daarover moet ik u toch informeren.

Door de afspraak met de voorzitter van de ACOM om over relevante, niet vertrouwelijke, zaken aangaande ABP te worden geïnformeerd, kon ik kennisnemen van een belangwekkende mededeling van de hoofddirecteur personeel van Defensie (de werkgever).

Op 16 maart jl. stuurde die het bericht door van het ABP over de verlaging van de disconteringsvoet. Daarbij wordt gesteld dat deze verlaging gevolgen heeft voor de pensioenregeling voor militairen. Uit het bijgevoegde bericht van het ABP blijkt dat een verhoging van de kostprijs van pensioen noodzakelijk is. Kort samengevat: Het lagere rendement waarmee het ABP wil gaan rekenen zakt naar 2% en daardoor stijgt de premie op basis van de huidige pensioenregeling voor militairen. Dit alles als de nu geldende richtlijnen (het financieel toetsingskader, FTK) niet wijzigen.
Blijkbaar is dit het moment voor het bestuur van het ABP om (nogmaals) aan te geven dat het FTK en dus de manier om naar rendementen te kijken een herziening behoeft.

Wat betekent de aanpassing van de disconteringsvoet (de basis voor de premieberekening)?

Door de stapsgewijze verlaging van 2,8% naar 2,0% in 2023 loopt de premie op van 24,9% naar 30% (voor de pensioenpremie voor militairen zijn de premiepercentages iets anders, de stijging is in verhouding even groot). Als de keuze niet valt op een verhoging van de premie wordt het jaarlijkse opbouwpercentage teruggebracht van 1,875 naar 1,5. Dat betekent een daling van het nominale pensioen. Voor iemand die in 2023 begint met opbouw zou dat na 42 pensioenjaren kunnen uitkomen op bijna 50% van het middelloon. En dat terwijl 80% uitgangspunt is van het pensioencontract.
Door het vasthouden aan dit FTK wordt het pensioensysteem onhoudbaar, zo blijkt ook hier. Door niet de werkelijke rendementen (ongeveer 6,5%) te gebruiken als uitgangspunt maar de rente op staatsobligaties, wordt een groot vermogen virtueel gemaakt. En dit moet dan ook leiden tot zeer drastische pensioenconsequenties.

De feiten

Toch zijn de feiten anders. Dat blijkt hieronder.
Hieronder de resultaten vanaf 2007:

Alle cijfers in miljarden, afgerond behalve rendementspercentages.
Bron: jaarverslagen 2008-2019

In het jaar 2018 kreeg ABP 10 miljard aan premies binnen terwijl 11 miljard aan uitkeringen werd gedaan. De netto-uitvloei was 1 miljard, dus een ¼ % van het vermogen. Men zou dit dus in theorie ca. 400 jaar kunnen voortzetten. Het uitzonderlijk hoge rendement over 2019 was ca. 66 miljard. Gemiddeld over de lange termijn is het ca. 7% en komt men bij een vermogen van nu, na de beurscrash geschat op ca. 460 miljard, uit op een jaarlijks rendement van ca. 30 miljard.
Wanneer we kijken naar het rendement over de jaren, zien we soms heftige fluctuaties. Zo was het rendement in 2008 minus 20%, maar in 2009 stond daar weer plus 20% tegenover. In dit licht moeten we ook niet al te dramatisch doen over het effect van de huidige beurscrisis die waarschijnlijk weer een negatief rendement van ca. 20% kan opleveren.

L’histoire se repète

Een pensioenfonds dient zich te richten op de lange termijn van 30 jaar of meer. De bron van verplichte pensioenpremies is betrekkelijk constant en datzelfde geldt voor de uitkeringen. Tussentijds kan geen enkele deelnemer zijn rechten vervroegd opeisen. Liquiditeitsproblemen zijn dus afwezig.

Duidelijk is in dit staatje te zien dat er een groot verschil is tussen de werkelijke rendementen, ook over langere termijn inclusief minstens één grote crisis.

Het geeft wel aan dat ook het bestuur van het ABP terecht aangeeft dat de huidige regeling het knelpunt is en sterker nog de premie zelfs moet stijgen om aan het pensioencontract te kunnen voldoen.

Ook de indexatie zou natuurlijk makkelijk kunnen worden betaald. Dat heb ik al eerder aangegeven, immers de dekkingsgraad wordt ook bepaald door het virtuele rendement.

Ben Groen

Deze bijdrage kwam mede tot stand door bijdragen van mede-VO leden onder wier professor Bernard van Praag.